-
1 dekken
v. cover, blanket; lay the table, set the table for a meal; protect, shield -
2 tafelapparaat
• desk-top apparatus• table set -
3 zetten
1 [doen zitten] seat3 [bepalen] set6 [met kracht beginnen] set to7 [opwekken] set9 [zijn vaste vorm krijgen] set♦voorbeelden:zich aan tafel zetten • sit down at tableeruit zetten • eject, evict, throw outalle conventies opzij zetten • set aside all conventions, be unconventionalzet je auto aan de kant • pull up at the sideiemand achter de tralies zetten • put someone behind barseen edelsteen in goud zetten • set a jewel in goldhet eten op tafel zetten • serve dinnereen schip op het land zetten • run a ship ashoreeen ladder tegen de muur zetten • set a ladder against a wallzet dat maar uit je hoofd! • get that out of your headiemand uit een vereniging zetten • drop someone from a clubin elkaar zetten • 〈 machine〉 fit/put together, assemble something; 〈 vlug of slordig〉 knock together; 〈 plannetje〉 contrive, think uphet op een lopen zetten • (make a) run for ithet op een zuipen zetten • hit the bottle10 letters zetten • compose/set typehet zetten • typesetting, composingik zet er vijf pond op (dat) • I bet you five pounds (that)¶ zet de muziek harder/zachter • turn up/down the musicdat kan zij niet zetten • she can't stomach thatzich ergens toe zetten • put one's mind to something -
4 tafel
1 table♦voorbeelden:de tafels van vermenigvuldiging • the multiplication tablesde hele tafel lag krom • the whole table was roaring with laughterde tafel afruimen/dekken • clear/set the table(in een restaurant) een tafel reserveren/bespreken • reserve a tableaan tafel gaan • sit down to dinneraan tafel zijn/zitten • be at (the) tableaan tafel! • dinner is ready!/served!men sprak er aan tafel over • it was discussed at (the) table/during dinneraltijd lang aan tafel zitten • always sit long over dinnerom de tafel gaan zitten • sit down at the table (and start talking)〈 figuurlijk〉 iets onder de tafel schuiven/vegen • brush/wave something asidehet ontbijt staat op tafel • breakfast is on the table/ready〈 figuurlijk〉 er lagen verschillende voorstellen op tafel • there were several proposals on the table/under discussionik kan het geld niet zonder meer op tafel leggen • I can't cough up the money just nowbij hen kwamen er alle dagen aardappelen op tafel • they had potatoes every day〈 figuurlijk〉 ter tafel liggen • be/lie on the tablevan tafel gaan • leave the tablede tafel van zeven • the seven-times tableeen tafel voor zes personen • a table for six -
5 de tafel afruimen/dekken
de tafel afruimen/dekkenclear/set the tableVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de tafel afruimen/dekken
-
6 de tafel dekken
de tafel dekkenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > de tafel dekken
-
7 dekken
2 [geheel bedekken] cover3 [overeenstemmen met] agree (with) ⇒ correspond (with/to)4 [verbergen] cover (up), hide6 [vergoeden] cover, meet♦voorbeelden:5 iemand in de rug dekken • support someone/stand up for someonede vlag dekt de lading • the flag covers the cargodeze twee verdachten dekken elkaar • these two suspects are covering for each otherzich dekken • 〈 ook leger〉 cover/protect oneself; 〈 jacht〉 hide oneself; 〈 geldwezen〉 hedge one's positions 〈 in termijnhandel〉〈 figuurlijk〉 iemands handelwijze/fouten dekken • sanction someone's actions/mistakesde verzekering dekt de schade • the insurance covers the damagede inkomsten dekken de uitgaven • the receipts cover the expenses -
8 een gedekte tafel
een gedekte tafela laid/set tableVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een gedekte tafel
-
9 gaan
1 [zich verplaatsen] go ⇒ move3 [zich begeven] go4 [+ onbepaalde wijs] [beginnen te] go, be going to5 [in beweging zijn, functioneren] go ⇒ run6 [losraken] come7 [plaatshebben] go ⇒ be, run9 [begrepen zijn in] go ⇒ fit11 [+ over] [tot onderwerp hebben] be (about)♦voorbeelden:een uur gaans • an hour's walk〈 figuurlijk〉 hoe gaat dat liedje ook weer? • how does that song go (again)?hé, waar ga jij naar toe? • where are you going?; 〈 achterdochtig〉 where do you think you're going?het gaat niet zo best/slecht met de patiënt • the patient isn't doing so well/so badlyhoe laat gaat de trein? • what time does the train go?ze zien hem liever gaan dan komen • they're glad to see the back of himik moet (nu) gaan • I must go/be going/off (now)ik ga ervandoor • I'm going/offdie twee gaan uit elkaar • those two are breaking upvan tafel gaan • leave the tableik ga! • I'm going!; 〈 informeel〉 I'm off!ga nu maar • off you go nowaan de kant gaan • move aside〈 figuurlijk〉 er gaat niets boven … • nothing beats …zijn gezin gaat bij hem boven alles • his family comes first (with him)zaken gaan voor het meisje • business before pleasure4 hij wil medicijnen gaan doen • he wants to do/study medicinegaan kijken • go and (have a) lookgaan liggen/staan/zitten • lie down, stand up, sit downgaan slapen • go (off) to bedga er maar eens aan staan • it's no picnic, it's not the easiest thing in the worldze gaan trouwen • they're getting marriediets gaan waarderen • come to appreciate somethinggaan wandelen/zwemmen • go for a walk/swim, go walking/swimmingaan het werk gaan • set to work〈 ironisch〉 ik ga (me) daar een beetje in de rij staan • I am (definitely) not going to join that queueals alles goed gaat • if all goes welldat kon toch nooit goed gaan • that was bound to go wronghoe is het gegaan? • how was it? how did it/things go?nou, dat ging zo • well, it was like thisalles gaat naar wens • everything's as it should beals het even gaat • if at all possibledat gaat zomaar niet • you can't just do thatik heb het al zo vaak geprobeerd, maar het gaat niet • I've tried it so often, but it won't workzo gaat het niet langer • things can't go on like thiser gaan 5 volwassenen in • it'll take 5 adultser gaat een liter in die fles • that bottle will take a litreer gaan zes glazen uit een fles • you can get six glasses out of a bottlezij gaat over de typekamer • she's in charge of the typing-pool11 waar gaat die film over? • what's that film about?zijn verhaal gaat er wel in bij de stakers • his speech went down (well) with the strikersdit type gaat eruit • this model's on the way outopzij gaan • give way to, make way for, go to one sidevoor niemand opzij gaan • make way for no man, yield/give way to no one〈 zoek raken〉 verloren gaan • get/be lostvreemd gaan • be unfaithfulvrijuit gaan • get offdaar gaan we weer • (t)here we go againin het zwart gekleed gaan • be dressed in blackhet gaat allemaal langs haar heen • it all goes (right) over her headmet iemand gaan • go out with someonewe hebben nog twee uur te gaan • we've got two hours to gozich te buiten gaan aan • overindulge inom kort te gaan • to cut a long story shortII 〈 onpersoonlijk werkwoord〉1 [gesteld zijn] be ⇒ go2 [geschieden] be ⇒ go, happen3 [+ om] [te doen zijn] be (about)♦voorbeelden:hoe gaat het (met u)? • how are you?, how are things with you?hoe gaat het op het werk? • how's (your) work (going)?, how are things (going) at work?het gaat hem niet slecht • he's not doing badlyje weet hoe dat gaat • you know how it is/things are/it goeszo gaat het nu altijd • it's always like thatzo gaat dat in het leven • that's lifedaar gaat het juist om • that's the whole pointhet gaat hem er alleen om dat … • all (that) he's concerned about is that …het gaat erom of … • the point is whether …het gaat om het principe • it's the principle that mattershet gaat om je baan • your job is at stakehet gaat hier om een nieuw type • we're talking about a new type -
10 gedekt
-
11 klaarzetten
1 put ready/out ⇒ set out♦voorbeelden:een stoel voor iemand klaarzetten • put a chair out for someonede flessen klaarzetten voor de melkboer • put out the bottles for the milkman -
12 opzij zetten
opzij zetten -
13 poot
I 〈 de (mannelijk)〉2 [steunsel voor een voorwerp] leg3 [informeel] [been/voet van een mens] leg4 [informeel] [hand] paw5 [informeel] [handschrift] fist6 [informeel] [handtekening] Bfist, AJohn Hancock7 [afdruk van een poot] paw print8 [neerhaal van een letter] leg9 [informeel] [mannelijke homoseksueel] 〈 niet pejoratief〉 gay ⇒ 〈Brits-Engels; slang; pejoratief〉 poof(ter), 〈Amerikaans-Engels; slang; pejoratief〉 fag(ot), faggot♦voorbeelden:〈 figuurlijk〉 iets op poten zetten • set up/start somethinggeen poot aan de grond krijgen • not be able to get something off the ground/get something going; 〈 bij iemand〉 get nowhere (with someone)〈 figuurlijk〉 zijn poten thuishouden • keep one's paws off someone/somethinggeen poot uitsteken/verzetten • not lift a finger6 zijn poot zetten • put one's fist/John Hancockop zijn poot spelen • stand on one's hind legs, kick up a fuss/roween brief op poten schrijven • write a stiff letterII 〈de〉 -
14 reserveren
1 [afzonderlijk houden] reserve ⇒ put aside/away/by♦voorbeelden:1 10.000 gulden reserveren voor • set aside 10,000 guilders for; earmark 10,000 guilders for 〈 bestemmen〉; budget for 10,000 guilders 〈 begroten〉een artikel voor iemand reserveren • put aside an article for someone♦voorbeelden:1 een tafel reserveren • reserve/book a table
См. также в других словарях:
table set — stalinis imtuvas statusas T sritis radioelektronika atitikmenys: angl. table set vok. Tischempfänger, m rus. настольный приёмник, m pranc. récepteur de table, m … Radioelektronikos terminų žodynas
table — [tā′bəl] n. [OFr < L tabula, a board, painting, tablet < ? IE * taldhla < base * tel , flat, a board > OE thille, thin board, flooring] 1. Obs. a thin, flat tablet or slab of metal, stone, or wood, used for inscriptions 2. a) a piece… … English World dictionary
Set Your Goals — en el Warped Tour,2008 Datos generales Origen … Wikipedia Español
table — n. piece of furniture 1) to lay (esp. BE), set (esp. AE) a table 2) to clear a table 3) a card; coffee; dining room; dressing; drop leaf; end; folding; kitchen; night; operating; ping pong; pool; tray; writing table 4) (AE) a training table (for… … Combinatory dictionary
set — set1 [ set ] (past tense and past participle set) verb *** ▸ 1 put someone/something somewhere ▸ 2 make something happen ▸ 3 make equipment ready ▸ 4 decide time/place/value ▸ 5 establish way to do something ▸ 6 do something that influences ▸ 7… … Usage of the words and phrases in modern English
set — [[t]sɛt[/t]] v. set, set•ting, n. adj. 1) to put (something or someone) in a particular place, position, or posture: to set a vase on a table; Set the baby on her feet[/ex] 2) to put or cause to pass into some condition: to set a house on fire;… … From formal English to slang
Set — 1. v. (setting; past and past part. set) 1 tr. put, lay, or stand (a thing) in a certain position or location (set it on the table; set it upright). 2 tr. (foll. by to) apply (one thing) to (another) (set pen to paper). 3 tr. a fix ready or in… … Useful english dictionary
set — 1. v. (setting; past and past part. set) 1 tr. put, lay, or stand (a thing) in a certain position or location (set it on the table; set it upright). 2 tr. (foll. by to) apply (one thing) to (another) (set pen to paper). 3 tr. a fix ready or in… … Useful english dictionary
Table (furniture) — A chic table in an Iranian palace A wooden dining table and cha … Wikipedia
table — I UK [ˈteɪb(ə)l] / US noun [countable] Word forms table : singular table plural tables *** 1) a piece of furniture that consists of a flat surface held above the floor, usually by legs the kitchen/dining room table They sat around a long table in … English dictionary
set — I UK [set] / US verb Word forms set : present tense I/you/we/they set he/she/it sets present participle setting past tense set past participle set *** 1) [transitive] to put someone or something in a position set someone/something… … English dictionary